De zoutmijn Peter de Groote


De zoutmijn Peter de Groote (1884-1920)

In december 1884 werd in Dordrecht de Hollandsche Maatschappij voor Zout-Exploitatie in Rusland (HZMER) opgericht. Deze ging in Stoupky, nabij Bachmut (Artemovsk) in de Donbass een twintig meter dikke zoutlaag exploiteren op een diepte van 600 voet, met een gehalte van 99% NaCl, zuiver keukenzout.

Dit initiatief kwam voort uit ontmoetingen tussen de Russische ingenieur Tsjernov, die proefboringen had laten doen, en Nederlandse bouwers van een gasfabriek in Moskou. Het startkapitaal bedroeg 1 miljoen gulden. Naast een veertiental Nederlandse investeerders was ir. Tsjernov grootaandeelhouder van de Maatschappij.

De ligging van de zoutmijn ‘Peter de Groote’ op een gepacht landgoed, direct aan de spoorlijn en vlakbij een station was gunstig ten opzichte van die van de Franse concurrent. Op een kaart was ingetekend waar de beste prijzen te halen waren: tussen de Oeral en Warschau en tussen de Zwarte Zee en Sint-Petersburg. De Krim viel erbuiten.

Na de start in het midden van de jaren 1880 liep de mijn goed (‘de zoutmijn werd een goudmijn’), maar in 1905/6 kwam er een kentering: stakingen en prijsdalingen dreigden voor alle zoutmijnen. Dit leidde tot samenwerking met de voormalige concurrenten (kartel) in de vorm van prijsafspraken, waarna de inkomsten toch bevredigend bleven. In 1909-10 werd zelfs een tweede (service-)mijnschacht aangelegd. Ook leidde electrificatie tot een schoner productieproces.

Rusland raakte in deze periode echter steeds meer op zichzelf gericht; kapitaal en expertise uit het buitenland werden gaandeweg minder op prijs gesteld. In 1914 voerde de tsaar een staatsmonopolie op zout in, waarmee de vaststelling van de zoutprijs in Sint-Petersburg kwam te berusten.

Na de Russische revolutie van 1917 veranderde de hele situatie. In de mijn werd het bewind overgenomen door een arbeidersraad, waarin in eerste instantie de Hollandse medewerkers mochten meestemmen. Lange tijd woedde in dit gebied een burgeroorlog tussen bolsjewieken en de aanhangers van het oude bestel. Temidden van vernielzucht en wanorde werd de mijn zo goed mogelijk draaiende gehouden. Men deed ook wel goede zaken, vooral door ruilhandel, soms in wagonladingen tegelijk, maar vaker met individuele ‘zakkendragers’. Het contact met Holland was echter onderbroken, waardoor de inkomsten niet overgemaakt konden worden. Eind 1919 werd de situatie levensgevaarlijk, buitenlanders verlieten de Donbass. Met de ‘laatste trein’ en de ‘laatste boot’ zijn de meeste medewerkers nog weggekomen. Een Hollandse medewerker die met zijn Russische vrouw achterbleef kreeg de eer de papieren te mogen ondertekenen, waarbij de zoutmijn Peter de Groote voor één Roebel werd overgedaan aan de jonge Sovjetunie. In Nederland werd de waarde van de mijn gesteld op één miljoen gulden. Tja, ‘waar niet is verliest de keizer zijn recht.’ Het faillissement van HMZER is in 1930 officieel gepubliceerd.